Levenslang

In deze cel omringd door hoge muren
waarin geen straal der zon ooit valt op mij
waarin de dagen lang als maanden duren
waaruit ik nimmer meer zal komen vrij

waarvoor die straf - ik zal het u verklaren
ik trouwde een schone jonge lieve vrouw
Niet meer - dan zij en ik verliefd nog waren
maar zo als ` gaat - zij werd mij toen ontrouw

en in mijn drift van jalouzie begon ik te koken
in woede greep ik naar het stompe mes
en toen ik zo al op haar toe kwam lopen
sprong allenig god - nog voor haar in de bres

die ene was - mijn goeie lieve moeder
zij kreeg de steek - in plaats die valse slang
ik dode haar - met opzet - zij dat loeder
voor moeders moord zucht ik mijn leven langg

een straal van hoop komt er in mijn gedachten
wanneer de bliksem flikkert door de lucht
daarbij alleen kan ik nog redding verwachten
ofschoon ik als kind daar reeds was voor beducht

dan zit ik door de tralien te gluren
en smeek het licht ach kom toch  naderbij
verlos mij uit - deez`donker grouwe muren
tref toch mijn hart - en maak mij weder vrij

want voor levenslang zit ik hier opgesloten
reeds die gedachte maakt mij ` t hart zo bang
voorgoed ben ik - uit de maatschappij verstoten
voor moeders moord zucht ik mijn leven lang

Dit lied hoorde ik mijn grootvader zingen
in de dertiger jaren
Ik meen dat het van het duo Hoffman is.

Wie weet het
graag een opmerking in het gastenboek
Sign InView Entries
last updated: 9 November, 2003
.'t Broekie van Jantje
Er was eens 'n haveloos ventje
Die vroeg aan z'n moeder 'n broek
Maar moeder verdiende geen centje
en vader was wekenlang zoek

Ach, moedertje, geef mij geen standje
er zit in mijn broekie 'n scheur!
en de jongens op school roepen : Jantje
Jouw billen die zien we d'r deur!

De moeder werd ziek van de zorgen
Lag stil en bedrukt in een hoek
Geen mens die haar centen wou borgen
En Jantje vroeg toch om z'n broek

Toen heeft zij haar rok uitgetrokken
de enigste die ze bezat
en ze maakte van stukken en brokken
een broek voor haar enigste schat

Nou konden ze Jantje niet plagen
Nou waren zijn billen niet bloot
Maar voor hij zijn broekie kon dragen
Ging moeder van narigheid dood

Ze stierf van 't sjouwen en slaven
Vervloekt en verwenst door haar man
Toen Jantje haar mee ging begraven
toen had hij zijn broekie pas an

tekst en muziek : J.H. Speenhof (1904)

BRIEF VAN EEN OUWE MOEDER

Mijn lieve zoon, je moeder laat je weten,
als dat ze jou geheel niet kan vergeten.
't Is negen uur, je vader is naar bed
en in mijn handen heb ik jouw portret.
't Is stil in huis maar voor dat ik ga leggen,
o jongenlief, moet ik je nog wat zeggen.
Dat ik van narigheid geen raad meer weet,
dat ik geen rustig stukkie brood meer eet.

Ik lig soms heel de nacht van jou te dromen.
Totdat de tranen in mijn ogen komen.
Ik ben al oud, het maakt me zo kapot.
't Is toch zo hard dat ik jou missen mot.
En vader wil jouw naam in huis niet horen.
Dat heeft-ie mij daarnet nog zo bezworen.
Wanneer ik soms maar even van jou praat,
vloekt hij me stijf, je weet wel hoe dat gaat.

En op je meissie mot je ook niet hopen,
die zag 'k 'n zondag met een ander lopen,
ze had die hoed, die jij haar gaf nog op,
die met die veer, die droeg ze op haar kop.
Van al jouw centen speelt ze nu de dame,
die kakmadam, ze most zich liever schame.
Nou jij voor haar de nor ben ingegaan,
nou loopt ze as een sloerie op de baan.

Maar hou je stil, dat zal haar wel berouwen.
Laat ze gerust met heel de buurt gaan sjouwen.
't Was niks voor jou, jij mot een ander wijf,
jij mot er een met voortgang in haar lijf.
Zoals Marie, je weet wel met die tanden,
daar zul je heel wat beter mee belanden,
die mag jou graag, dat weet ik al een tijd,
als ze maar durfde had ze 't jou gezeid.

Zij zorgt toch o zo goed voor 't werk en 't eten.
Ze breit je kousen als ze zijn versleten.
Door haar zal jij geen smerigheid meer doen.
En ook geen messen trekken net als toen.
Wanneer ik daaraan denk dan mot ik grienen,
jij kan met verven toch je brood verdienen.
En als je heel je straf heb afgedaan,
mot jij weer naar je ouwe baas toe gaan.

Al scheldt de buurt, daar mot je niet om malen.
We komme samen om je af te halen.
Marie en ik we wachten bij de poort,
met 'n schoon halfhempie en een staande boord.
Dan koop ik voor een dubbeltje sigaren,
je houten pijpie zal ik trouw bewaren,
en als je thuis komt is je potje gaar,
dan staat er spek met kroten voor je klaar.

Ik voel de slaap al in mijn ogen komen.
Je moeder gaat nou zeker van je dromen.
Want als ik jou niet overdag mag zien,
zie ik je in mijn droom vannacht misschien.
Dan zie ik jou in 't hoekie zitten roken,
en sta ik bij 't fornuis de pot te koken.
Vergeet je moeder niet, o jongenlief,
de lamp gaat uit, ik eindig nou mijn brief.


Blinde Ogen

Ik weet nog goed, toen in jouw blauwe ogen 't Licht nog niet voorgoed was uitgeblust
Hoe we saam vaak door de velden zwierven Bloemen plukken was je grootste lust
Met je blos van kinderlijke blijdschap Was je dan een lentebloem gelijk hard
Kind, ik moet niet aan die uren denken Als ik naar je blinde ogen kijk!

Iedereen vond jou zo'n lieve engel Iedereen vond jou zo'n echte schat
Vreemde mensen zeiden honderd malen Dat jij zulke mooie ogen had
Ik had wel zorgen indie goeie dagen Doch met jou gevoelde ik me rijk
Ik twijfel nu aan hemel en aan aarde Als ik naar je blinde ogen kijk!

Ja, je was de appel mijner ogen Ik hield van jou altijd het allermeest
Ik heb mischien te veel van jou gehouden Ik ben wellicht te trots op jou geweest
Jouw bezit was mij de grootste weelde 2e stem Heel m'n hart hing aan jouw liefdeblijk
Kind, ik voel zo'n eindeloos verlangen Als ik naar je blinde ogen kijk!

Zie ik soms 'n bedelende blinde O, dan krimpt m'n hart ineen van pijn
Ik vraag me af of dat jouw lot zal worden Als ik eenmaal er niet meer zal zijn
Ik denk aan jou, als ik zo'n arme stumper Bevend dan m'n poov're aalmoes reik 
Kind, ik voel zo'n angst om eens te sterven Als ik naar je blinde ogen kijk!

De olieman heeft een Fordje opgedaan 
(van Tol/Davids) 1936
De olieman van 't pleintje ging zijn radio verpanden,
Hij was blasé van 't goede en verbrak de aetherbanden,
En toen met oome Jan zijn zeven tientjes in zijn handen,
Had hij op 't autokerkhof een vehikeltje gekocht.
Een onecht kind van Ford, vol deuken, bulten en hiaten,
In lang verleden tijden er de menschheid losgelaten,
Dat zich met korte sprongen voorwaarts repte langs de straten,
En hartverscheurend kreunde als je remde in de bocht.
Maar als hij met zijn wagen door zijn eigen buurtje ging,
Dan riep de heele buurt: 'Op zij -daar hè je Deterding.'
De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder bed.
Tut tuf, tuf.
Op zeek'ren zondagmorgen die het noodlot extra schikte,
Geviel het dat ook Ma haar meer dan ongewone dikte,
Etapsgewijze, deel na deel in 't wrak vehikel wrikte,
Om met haar man en kroost een dag naar Bussum toe te gaan.
Pa trachtte met den slinger 's monsters ingewand te zoeken,
Maar 't reageerde niet, het kraakte slechts in alle hoeken,
En Pa gaf de première van twee splinternieuwe vloeken,
Omdat Ma lijzig vroeg of ie misschien niet aan wou slaan.
De buren gluurden door de ruit, van nijd waren ze groen,
En zeien: 'Ja zo gaat het als de menschen dik gaan doen.'
De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder bed.
Tuf, tuf, tuf.
Pa wierp zich onder 't voertuig en forceerde enk'le moeren,
Ma zei: 'Doe eerst je strikkie recht de buren staan te loeren.'
Pa vroeg beleefd maar kort of zij haar claxon niet wou roeren,
En ging weer in de olie liggen met z'n goeie goed.
Het kroost verpoosde zich met aan de handeltjes te knoeien,
Zoodat er diep in 't mechanisme iets begon te loeien,
Pa dreigde met zijn sleutel de familie uit te roeien,
En 't uitstapje te wijzigen in een begraaf 'nisstoet.
Maar 't Fordje was gaan kuchen en het hoofd van het gezin,
Riep: 'Vrouw je kaken op mekaar, hou vast ik schakel in.'
De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder bed.
Tuf, tuf, tuf.
't Gedrocht liet plots een schreeuw,
Of het er vreugde in ging krijgen,
En trachtte eerst een onbeheerde handkar te bestijgen.
Ma gilde 'me vergaan', Pa ging met demonteering dreigen,
Van haar en beider nakroost en dat maakte haar weer klein.
Toen nam het beest zijn sidderende wieletjes te samen,
En startte ten verderf, verschrikte buurtgenooten kwamen
Naar buiten, of ze keken eens misprijzend door de ramen,
Wie of er weer met zevenklappers speelde op het plein.
Een wijze ouwe opa riep door het geknal verdoofd:
'Dat ding rijdt naar z'n ondergang net als P.C.Hooft.'
De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder bed.
Tuf, tuf, tuf.
Twee uur na dit gebeuren arriveerde er een wagen
Met paard voor Nelis deur en de verblijde buren zagen
Hoe Ma met een gezwollen oog de trap werd opgedragen,
Luid op onschoone dingen zeggend, over autosport.
Daarachter man en kroost, vol olie, wegenstof en deuken.
De voerman van de kar bracht nog een baalzak in de keuken,
Slechts hij die veel had gestudeerd in de tiendeel'ge breuken,
Kon zien dat dit het afgekloven rif was van de Ford.
De buren hadden revanche en glimlachten verblijd,
En Nelis, als ie uitging, hoorde nog een heele tijd.
De Olieman heeft een Fordje opgedaan,
Daar rijdt ie mee als een vorst door de Jordaan.
Maar 's avonds om tien uren is het uit met de pret,
Want dan stopt zijn vrouw de slinger onder bed.
Tuf, tuf, tuf.
 

Tekst en muziek: Louis Davids en Jacques van Tol
De kleine man
Het is op ons kleine wereldje een beetje raar gesteld
Want de ene mens neemt veel te grote happen
De een woont in een villa en de ander bij de belt
En die moet zich op z'n teentjes laten trappen
De een slaat z'n slag, doet wat ie soms niet mag
En de andere, dat is een feit, betaalt steeds het gelag

  Dat is de kleine man, die kleine burgerman
  Zo'n hele kleine man met een confectiepakkie an
  De man die niks verdragen kan blijft altijd onder Jan
  Zo'n hongerlijer, zenuwelijer van een kleine man

De verkiezingen in Holland zijn altijd een grote pret
Want dan hoor je onze heren kandidaten
Elkaar uitschelden voor leugenaar, voor schoffie enzovoorts
Zoeken gaatjes om hun gifgas uit te laten
En zitten z'op d'r stoel, hoe veilig zo'n gevoel!
Wie moet de rekening betalen voor hun grote .... mond?

  Dat is de kleine man, die kleine burgerman
  Die doodgewone man met 'n confectiepakkie an
  De man met zo een achttien gulden C & A-tje an
  Zo'n zenuwelijer, hongerlijer van een kleine man

De minister van Defensie vraagt weer onderzeeërs aan
Mocht een vreemdeling zich met de Oost bemoeien
En als wij die vloot dan hebben en er komt een beetje mot
Kunnen wij er in de Amstel mee gaan roeien
Dat heet voor 't ideaal, voor Neerlands grond en taal
Maar wie betaalt het pakkie van de vice-admiraal?

  Dat is de kleine man, die kleine burgerman
  Die doodgewone man met 'n confectiepakkie an
  Zo'n ordinaire man met van die Bata-schoentjes an
  Zo'n zenuwelijer, minimumlijer van een kleine man

Dempsey gaat weer aan het boksen en krijgt weer 'n dik miljoen
Om zich een kwartiertje suf te laten stompen
En zijn tegenstander, als ie wint, een half miljoentje meer
Want die kereltjes die laten zich niet lompen!
Wie snakt er naar zo'n baan, zou, kreeg ie het gedaan
Voor twee tientjes al zijn kiezen uit zijn kaken laten slaan?

  Dat is de kleine man, die kleine burgerman
  Zo'n doodgewone man met 'n confectiepakkie an
  De man met zo een uitgesneden linnen frontje an
  Zo'n zenuwelijer, hongerlijer van een kleine man

We verzorgen onze medeburgers tegenwoordig best:
Als je niet werkt krijg je achttien gulden premie
En dan zijn er veel slampampers die zijn liever lui dan moe
Want die denken: nou die achttien piek, die neem ie
Ze schelden allemaal op patroon en kapitaal
En wie is weer de dupe van dat vrijheidsideaal?

  Dat is de kleine man, die kleine burgerman
  Zo'n hele kleine man met een confectiepakkie an
  Eén met zo'n imitatie-jaeger onderbroekkie an
  Zo'n minimumlijer, zenuwelijer van een kleine man
Weekend in Scheveningen

Wie thuishoort bij de rijken
En zich moet laten kijken
En op de pier moet zitten
Om anderen te bevitten

Wie een auto moet besturen
Al zal ie 'm 1 dag huren
En onder het chaufferen
Luid zit te converseren

"Zeg Sjors als ik naar Nice ga
In mijn Hispano Suiza
Dan stuur ik je een kaartje
Ik maak nog een boulevardje"

Of wie in 't luxe bad zwemt
En daarna naar de stad tramt
Wie weet wat knal en chique is
Maar niet wat romantiek is

Doch wie op scheve schoenen
Gespeend is van miljoenen
Of 't uitgaansleven moe is
En liever entre-nous is

Kan desnoods met een krant aan
's Naar 't stille strand gaan
Waar kinderen kuilen graven
En ouwe opa's draven

Waar mensen eerlijk zweten
En apenootjes eten
Waar ijscolieden leuren
En harde bokkem scheuren

En menigeen zegt: "Lieve schat,
ik heb een goeie week gehad"

"Ik breng mijn weekend door met jou in Scheveningen
De zee is lauw, de lucht is blauw in Scheveningen
Daar kan je braaien in 't zand
Met een ijsco in je hand
Zo samen aan het stille strand in Scheveningen"

Een spraakzame familie
Met Mokums domicilie
Dat hoor je aan hun speechen
Met pakjes brood op fietsen

En schoongewassen voeten
Omdat ze baaien moeten
Eet smakkend zure stokken
En kleffe noga-brokken

Ma slaakt kokette gillen
Waarvan de duinen trillen
Ze poedelen in 't water
Een klein geschil ontstaat er

Pa heeft zich aangekleed en
Een pantalon vergeten
Moe zegt: "'t Is nonchalance
Omdat je sting te sjansen"

Pa zegt wat hatelijkheden
Betreffend Ma's verleden
Ma wenst 'm enkele rampen
Van koorts tot lichte krampen

Pa zegt; "Als 't nou moet, schat
Dan fuif ik op een bloedbad
Ben je dan pas tevree, klier
Ik maak de rooie zee hier"
Pa zegt: "'t Is waar potdome
Der zou haast ruzie komen"

Hij kietelt Ma weer in haar zij
En met een zandbas neuriet hij

"Ik breng mijn weekend door met jou in Scheveningen
De zee is lauw, de lucht is blauw in Scheveningen
Daar kan je braaien in 't zand
Met een ijsco in je hand
Zo samen aan het stille strand in Scheveningen"